Bank


De Rabobank is niet de grootste bank ter wereld, maar het is wel een van de weinige financiële instellingen die de ‘Triple A-status’ heeft. Die status geeft de mate van financiële soliditeit aan. Hoe meer A's hoe beter en drie is het maximum. Zo’n driesterrenbank kan niet omvallen.

De Rabobank dankt die status aan haar eigenaren: de Nederlandse boeren. Die hebben als onderpand hun bedrijven in de bank gestoken. Het achterliggende vermogen van de Rabobank is alleen al door de waarde die de grond vertegenwoordigt gigantisch. En wordt met de dag groter. In het overvolle Nederland is grond bijna letterlijk goud waard en de prijs er van blijft stijgen.

Het is niet alleen de grond, zeg maar 80% van Nederland, die de Rabobank zo solide maakt. De financieringen van de bank in de agrosector, het gaat daarbij om een bedrag van ruim 15 miljard euro, zijn vrijwel risicoloos. Het risico van leningen aan boeren wordt voor de bank namelijk weggenomen door het Europese landbouwbeleid. De boer krijgt een vastgestelde minimumprijs voor zijn producten. Het voorvoegsel 'minimum' is daarbij overigens enigszins misleidend. Het gaat om prijzen die gemiddeld genomen zo'n 30% boven de wereldmarktprijzen liggen. Anders gezegd: een Europese boer heeft een gegarandeerd inkomen dat zo'n 30% boven dat van de niet-Europese concurrentie ligt. Om hem te beschermen tegen die veel goedkoper producerende concurrentie worden aan de Europese grenzen importtarieven gehanteerd. Producenten van buiten Europa die toch met hun producten de Europese markt op willen moeten daarvoor betalen. Die bedragen zijn per eenheid product zo hoog, dat er geen winst meer op te halen valt. Daarom liggen er relatief zo weinig buiten-Europese producten in de schappen van de supermarkten.

Wat er aan buiten-Europese producten in de schappen ligt, kunnen we meestal zelf niet maken. Soms ook worden producten van buiten Europa alleen in bepaalde perioden zonder importheffing toegelaten. Dat zijn dan perioden dat het duur is om die producten hier te maken. Denk aan boontjes uit Egypte, Senegal, of India of tomaten uit Marokko in de wintermaanden.

Die beschermingsconstructie voor de boeren zorgt er voor dat de agrosector voor banken een heel interessante markt is. Rente en aflossing zijn immers door Brussel, ofwel de Europese belastingbetaler, gegarandeerd. Die financiële zekerheid is de grote motor geweest achter de ongebreidelde agrarische productiegroei van na de tweede wereldoorlog. Risicoloos boeren en risicoloos financieren, met als vangnet de Europese subsidiepotten, zorgden voor een productiegroei op plekken die daar klimatologisch eigenlijk helemaal niet zo geschikt voor zijn.

Je moet in Europa als boer wel een heel slechte ‘ondernemer’ zijn om failliet te gaan. Sterker: boeren in Europa kunnen niet failliet gaan. Daar zorgt de bank wel voor. Op het moment dat een boer financieel in de problemen dreigt te raken komt doorgaans het bestuur van de plaatselijke Rabobank langs voor een goed gesprek. Zij doen de boer in kwestie een aanbod dat hij niet kan weigeren. Hij kan kiezen: stoppen en nog een mooi bedrag overhouden om iets anders te beginnen, of stoppen en nog een mooi bedrag overhouden om iets anders te beginnen. In het eerste geval doet hij het vrijwillig, in het tweede geval gaat het onvrijwillig en helpt de bank een handje.

Een ondernemer die op het randje van een faillissement staat, wordt door zijn omgeving vaak met de nek aangekeken. Zo niet in de boerenwereld. Daar is een stoppende buurman juist een geschenk uit de hemel omdat hij vrijwel de enige mogelijkheid voor groei vormt. De Nederlandse agrosector zit volledig op slot. Om de kosten van het landbouwbeleid nog enigszins in de hand te houden is er voor veel producten een productie­beperking ingevoerd. Via een systeem van vergun­ningen is vastgelegd hoeveel een boer van een bepaald product mag maken. Wie uit wil breiden heeft in de eerste plaats niet land of koeien nodig maar een vergunning om te produceren. In de melkveehouderij heet dat quotum en die productierechten zijn veel geld waard. Voor het productierecht van een kilo melk wordt afhankelijk van vraag en aanbod tussen de 1,5 en 2 euro betaald. De Nederlandse melkveehouder heeft gemiddeld een quotum van ongeveer 600.000 kilo. Dat, in 1984 gratis verkregen productierecht, vertegenwoordigt per boer tegen de nu geldende prijzen een waarde van 1,2 miljoen euro. Op papier zijn de meeste melkveehouders dus miljonair.

Als een melkveehouder zo in de problemen is geraakt dat de bank het niet meer verantwoord vindt om door te gaan, worden die papieren miljoenen geactiveerd. Te koop gezet, en aan kopers geen gebrek.

De hoofdstad van Europa is afwisselend Brussel en Straatsburg. Maar terwijl het Europese Parlement en de Europese Commissie tussen die twee steden heen en weer pendelen om Europa te besturen, vallen de echte besluiten op een heel andere plek. Daar waar de hoofdkantoren van de Europese boerenbanken zijn gevestigd. Voor Nederland is dat Utrecht, waar vlak bij het centraal station het hoofdkantoor van de Rabobank staat.

Ruim de helft van het geld dat in Europa kan worden verdeeld, gaat naar de landbouw. In het verdrag van Rome, de wettelijke basis voor de huidige Europese Unie, is gegarandeerd dat de boeren een inkomen moeten hebben dat kan concurreren met andere economische sectoren. Daar valt, tenzij die basis voor de Europese Unie opnieuw ter discussie wordt gesteld, niet aan te tornen. Toen leek het een goed idee. Nu verlamt het de helft van de Europese begroting, omdat niemand er aan kan komen. Ook niet in het nieuw gesloten Verdrag dat geen Europese grondwet mag heten. Tijdens de onderhandelingen over het nieuwe Verdrag zijn de lidstaten met een hele grote boog om de hete landbouwbrij heen gegaan. 

Europa of de nationale regeringen kunnen nog zoveel plannen voor de landbouw maken, de uiteindelijke beslissing of die ook doorgaan wordt niet genomen in het Europese parlement of de nationale parlementen. Dat gebeurt in de kamers van de hoofddirectie van de boerenbanken.

Hoewel de plannen van de Nederlandse regering om de varkensstapel in te krimpen voorlopig zijn stuk gelopen op de rechter, zijn heel wat varkenshouders gestopt. Dat proces is niet het resultaat van democratische besluitvorming in de Tweede Kamer, maar wordt gestuurd door de rekenmeesters van de Rabobank. Uit hun toekomstverkenningen, uiteraard ingegeven door de belangen van de bank en daar is niks mis mee, blijkt dat voor de 'kleine' boer in Nederland geen toekomst meer is. En dus duwt de bank de sector in de richting van verdere schaalvergroting. De kleintjes worden met zachte hand gedwongen te stoppen, en de wat grotere met even zachte hand gedwongen nog groter te worden. Die schaalvergroting maakt het mogelijke het agrarisch proces nog verder te industrialiseren dan nu al het geval is en leidt tot megabedrijven. Varkensflats waarvan de onderzoekers van de landbouwuniversiteit Wageningen melden dat die vele malen diervriendelijker en dus beter zijn dan de huidige stallen.

Regeren is vooruitzien, maar waar het de agrosector betreft kan de overheid meestal niet veel meer doen dan achteraf constateren dat delen van de sector zich weer eens, aangemoedigd door de Rabobanken van deze wereld, in een ongewenste richting hebben ontwikkeld. Het terugdraaien daarvan is een moeizaam proces dat, als het al lukt, honderden miljoenen aan schadevergoeding kost. Tenminste dat vinden de boeren.

Nog voor een overheidsmaatregel is aangekondigd, staan ze al klaar met de rekening. Compensatie. Dat is het toverwoord waarmee de landbouw de afgelopen decennia miljarden uit de portemonnee van de belastingbetaler heeft kunnen trekken. De logica achter dat mechanisme is niet helemaal duidelijk, maar wordt om eveneens niet helemaal duidelijke redenen voor de agrosector wel van toepassing verklaard.