Boer


Een boer loopt heel vaak nog op klompen, maar daarom nog niet achter. Op de Nederlandse tv was een jaar of wat geleden regelmatig een reclamespot te zien voor een loterij. De camera zoemt in op het verweerde gelaat van een al wat oudere melkveehouder die een van zijn koeien van de melk ontdoet. Met een handige zwaai slingert hij vervolgens een volle melkbus op een aanhangwagentje, waarna de boer innig tevreden zijn bemodderde laarzen afstoot tegen de auto die het karretje trekt: een gloednieuwe Ferrari. Vrolijk zwaait hij naar de buurman, die voor een Porsche heeft gekozen.

Op het platteland wordt om deze reclamespot hartelijk gelachen. Daar weten ze dat de Nederlandse melkveehouder geen loterij nodig heeft om miljonair te worden. Dat heeft Brussel al geregeld. Met een ruimhartig subsidiebeleid en stevige beschermingsconstructies tegen de concurrentie van buiten Europa is er voor de meeste Europese boeren zakelijk gezien geen vuiltje aan de lucht.

Toch hebben boeren het niet makkelijk. Daarom klagen ze zoveel. Voor hetzelfde geld kan je zeggen: boeren klagen veel. Daarom hebben ze het niet makkelijk. De waarheid ligt zoals zo vaak ook hier weer in het midden. Als ondernemer is een boer niet te benijden. Hij noemt zich ondernemer maar is dat niet. Alle gebruikelijke risico's die bij een normaal ondernemerschap gelden, zijn de boeren uit handen genomen. Risico’s in de markt zijn er niet.  De minimumprijs voor veel landbouwproducten ligt via het Gemeenschappelijke Land­bouwbeleid vast en levert een heel behoorlijk belegde boterham op. Onverwachte tegenvallers, bijvoorbeeld door het weer, zijn afgedekt. Een beetje overvloedige regenval waardoor de aardappeloogst dreigt te verdrinken? Even piepen en de miljoenen rollen vanuit Den Haag naar de boerenhoeven. Een enge ziekte die de veestapel teistert? Bij wet is geregeld dat de geldkranen in Brussel en Den Haag vanzelf opengaan.

De boeren zelf hoeven daar niets voor te doen. Daarvoor zijn er de standsorganisaties die de belangen van de landbouw tot nu toe perfect hebben behartigd. Ze worden bevolkt door professionele volksmenners die van klagen een flink winst­gevende kunst hebben gemaakt. Deze beroepsklagers maken handig gebruik van de informatieachterstand over de moderne landbouw bij het grote publiek en de politici.

Eind oktober, begin november van 1998 viel er in Nederland een beetje meer regen dan gebruikelijk. Op de journaals van de Nederlandse tv. zenders verschenen al snel beelden van ondergelopen akkers in Groningen waar boeren en boerinnen handenwringend toekeken hoe hun oogst verzoop. Binnen een paar dagen lieten de minister van landbouw en de minister president zich naar de rampgebieden vliegen om hoogst persoonlijk de kaplaarzen aan te trekken voor een tochtje door de blubber. Beteuterd aanschouwden politici en kijkers deze natuurramp. Wat ze in werkelijkheid zagen was een fraai stukje volkstoneel waarachter een misgelopen financiële gok werd verstopt. Kniertje in de polder.

Het Nederlandse klimaat is helemaal niet zo geschikt voor landbouw. De zomers zijn er relatief kort en dat betekent dat de oogsten doorgaans zo rond eind september van het land moeten zijn. Dat de aardappelen in 1998 ruim een maand langer in de grond zaten had weinig te maken met fraai herfstweer, maar met oplopende prijzen op de termijnmarkten. Daarom lieten veel boeren hun aardappelen gewoon in de grond zitten in de hoop later in de herfst een nog betere prijs te kunnen bedingen.

Die mooie droom werd ruw verstoord toen de regen kwam. In Groningen kwam de klap extra hard aan. De grond daar bestaat hoofdzakelijk uit zware zeeklei. Hele vette grond die eigenlijk per definitie ongeschikt is voor planten waarvan de te oogsten vrucht in de grond rijpt.

Tarwe, graan, bloemkool, maïs. Desnoods zonne­bloemen. Dat gaat daar nog, omdat het oogstbare deel boven de grond staat. Maar aan peen of uien begin je daar niet. Laat staan aardappelen. Dat is onder normale weersomstandigheden al vragen om moeilijkheden.

Die kwamen dan ook prompt in de natte herfst van 1998, maar de rekening er voor werd bij de belastingbetaler neer­gelegd in de vorm van een schadevergoeding die opliep tot  bijna 300 mln. euro voor de boeren en tuinders. Een fors deel daarvan ging naar de aardappeltelers op de vette Groningse klei. Het geven van een schadevergoeding  is al discutabel. Wat gepresenteerd werd als een natuurramp had in veel gevallen goed beschouwd een hoog eigen-schuld-dikke-bult gehalte. Daar komt bij dat misoogsten tot het normale ondernemersrisico horen. Heineken of Unilever krijgen na een natte, koude zomer evenmin een schadevergoeding omdat de verkoop van pils en magnums is tegengevallen.

Maar de boerenvoormannen vinden zo’n vergoeding de normaalste zaak van de wereld. En wij ook. Zonder morren accepteren we dat voor een tegenvaller in de agrosector diep in de buidel  wordt getast.

Op de hoogte van de schadevergoeding valt ook wel het een en ander af te dingen. Een gebruikelijk mechanisme voor de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding werkt als volgt. Als uitgangspunt wordt doorgaans de marktwaarde op het moment van oogsten genomen. De prijs voor aardappelen op de termijnmarkten was in de herfst van 1998 al hoger dan normaal. Door de wateroverlast schoten die prijzen nog eens verder omhoog omdat speculanten door de mislukte oogsten een tekort aan aardappelen verwachtten. Hoe hoger de prijzen, hoe hoger de schadevergoeding.

Iets soortgelijks speelde zich af tijdens de varkenspest. Om de verspreiding van de ziekte te stoppen, moesten van de overheid miljoenen varkens en biggen worden afgemaakt. Door dat grootschalige ruimen van varkens ontstond een schreeuwend tekort aan biggen waardoor de prijs ervan omhoog vloog. En dus ook de schadevergoeding voor de varkenshouders die hun veestapel gedwongen moesten ruimen, want ook in de varkenshouderij is die schadevergoeding gebaseerd op de geldende marktprijzen.

Door de nieuwe mestwet dreigen vooral varkens- en kippenhouders in problemen te komen. Weer eisen ze schadevergoeding, en ze krijgen het nog ook. Er is ongeveer 700 mln. euro voor hen opzij gezet. Maar de boerenvoormannen  schijten er op en noemen het bedrag ‘a-sociaal’ laag. Je moet het lef maar hebben. Al sinds 1984 wordt geprobeerd de boeren aan het verstand te brengen dat het afgelopen moet zijn met de overproductie van mest en de schadelijke gevolgen daarvan voor het milieu. Maar de boer, hij ploegde voort en deed of zijn neus bloedde.

Nu diezelfde neus op de feiten wordt gedrukt, speelt de sector niet alleen de vermoorde onschuld, maar blaast ook nog eens hoog van de toren en eist bij de rechter volledige compensatie. Vooralsnog met succes, maar verderop in de procedure moet het wel mislopen.

De redenering die de boerenvoormannen hanteren, loopt langs de volgende lijnen en is vergelijkbaar met een automobilist die geconfronteerd wordt met nieuw ingevoerde snelheidsbeperkingen. Hij stapt naar de rechter met een eis op schadevergoeding op grond van het volgende argument. Voordat de snelheidsbeperking werd ingevoerd, mocht ik mijn snelheid zelf bepalen. Dat recht wordt mij nu eenzijdig door de nieuwe maatregel van de overheid ontnomen. Dat is in strijd met de rechten van de mens en ik heb er schade van want ik kan niet meer zo hard rijden als vroeger. Dus heb ik recht op een financiële compensatie.

De miljarden die incidenteel bij 'rampen' aan de boeren worden uitgekeerd zijn een schijntje vergeleken bij de bedragen die de afgelopen decennia structureel op jaarbasis naar het platteland vloeien in de vorm van prijssteun. En dan zijn er nog de milieukosten die, veroorzaakt door de agrosector, door de burger worden betaald. Deze kosten zitten verstopt in bijvoorbeeld de prijs voor het drinkwater dat eerst gezuiverd moet worden voordat het de kraan in kan. Het onderzoeks- en adviesbureau CE becijferde dat deze verstopte productiekosten in Nederland 2,1 miljard euro per jaar bedragen.

Blijkens onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen krijgt de Nederlandse boer op jaarbasis gemiddeld ongeveer 45.000 euro aan directe en indirecte subsidies.  Zonder deze subsidies heeft een groot deel van de Nederlandse agrosector puur economisch gezien geen bestaansrecht. Harder gezegd: de Nederlandse boer is geen ondernemer maar een uitkerings­gerechtigde, van wie het recht op die uitkering nooit ter discussie heeft gestaan. Bovendien is dat recht oneindig.

Overal in de maatschappij heeft het principe van de vrije markt haar intrede gedaan. Het valt niet goed in te zien waarom de agrarische bedrijfstak daarop een uitzondering zou moeten zijn. Dat opa ooit het bedrijf is begonnen en het daarom wel sneu zou zijn als kleinzoon het nu moet opgeven is wel een heel mager argument. Bij veel grote Nederlandse bedrijven zoals Philips, Hoogovens en Fokker zijn de afgelopen jaren harde saneringen doorgevoerd. De scheepsbouw en de textielindustrie zijn goeddeels verdwenen omdat ze de concurrentie met anderen niet aankonden. Dat leidde tot tienduizenden ontslagen en iedereen vond dat sneu. Maar het gebeurde wel.

Een volk moet eten, en het is handig als de productie van het voedsel een beetje in de buurt gebeurt. Het is helemaal mooi als de natuurlijke hulpbronnen die daar voor nodig zijn, het mogelijk maken om meer te produceren dan er voor eigen gebruik nodig is. Dat extra geproduceerde deel kan worden verkocht aan de buren, en met het geld dat het oplevert kan je dingen kopen die je zelf niet kunt of wilt maken.

Van de Nederlandse agrarische productie is 80% tot 90% bestemd voor de export. Op de wereldranglijst van agrarische exporteurs staat Nederland op de derde plaats, achter de VS en Frankrijk. Het doet vermoeden dat we over een ongekend grote en goede hulpbron voor agrarische productie beschikken.

Dat klopt. Alleen is die hulpbron geen natuurlijke. De kunstmatige kurk waarop de Nederlandse landbouw drijft, heet subsidie. Ogenschijnlijk verdienen we er scheppen geld mee. Onze handelsbalans is fors positief want we exporteren meer dan we importeren en de landbouw levert daar een stevige bijdrage aan. De boerenvoormannen schrijven zelfs het totale handelsoverschot op rekening van hun sector, maar dat is zwaar overdreven.

Het is zelfs maar de vraag of die bijdrage aan de handelsbalans in geld gemeten wel positief is. In de reken­sommen waarmee de sector haar bijdrage aan het nationale huishoudboekje probeert duidelijk te maken, ontbreken stelselmatig twee kostenposten: de milieukosten en de subsidies. Bij deze vorm van creatief boekhouden worden in steeds breder kring grote vraagtekens gezet.

Daarom krijgen boeren het niet makkelijk en klagen ze op voorhand al zoveel.