Om de zoveel tijd komen er op de arbeidsmarkt nieuwe beroepen bij. Een van de meest curieuze is te vinden in de melkveehouderij. Daar kan je divanmelker worden. Een divanmelker is een boer die een andere boer laat melken en daar niet voor hoeft te betalen, maar daar zelf geld voor krijgt. Dat zit zo. Halverwege de jaren tachtig werd voor de melkveehouderij een beperking van de productie ingevoerd. De Europese melkproductie was veel groter dan de Europeanen aan melk, kaas en andere zuivelproducten zelf konden opeten. Het teveel werd buiten Europa verkocht, maar de prijzen daar waren en zijn veel lager dan in Europa. Dat prijsverschil werd door Brussel (lees de Europese belastingbetaler) voor de boeren bijgepast. Zo melkte de boer niet alleen de koe, maar ook de belastingbetaler langzaam maar zeker leeg. En zo gaat het nog steeds. Naarmate de boeren meer melken, lopen de kosten daarvan voor Brussel op. Immers, een steeds groter deel van de melkproductie moest buiten Europa worden afgezet. Toen de rekening daarvoor een beetje aan de hoge kant begon te worden, zette Brussel een stop op de productie. Toen de productiebeperking - in vakkringen ‘quotum’ genoemd - werd ingevoerd, liep de Nederlandse boerenstand te hoop tegen de toenmalige landbouwminister Gerrit Brakx. De maatregel zou immers door de beperkingen die ermee werden opgelegd, het einde van de Nederlandse melkveehouderij betekenen. Dertien jaar later stelde landbouwminister Jozias van Aartsen voor om zowel productiebeperking als de subsidies maar weer af te schaffen. Als door een adder gebeten, vroegen de boerenvoormannen zich af of de bewindsman misschien gek was geworden? De suggestie om de quotering en de subsidies af te schaffen is zo gek nog niet. De Europese boeren willen er nog niet aan, maar het mechanisme van bescherming gaat op de helling. Overal ter wereld waait de wind uit de richting van de vrije markt. Voor heel veel bedrijfstakken, zoals de scheepsbouw en de textiel, zijn beschermingsconstructies weggehaald of voor een belangrijk deel verminderd. En nu zijn de boeren aan de beurt. Zonder de bescherming van de Europese subsidies zal de Europese melkprijs langzaam maar zeker zakken naar het prijsniveau van de wereldmarkt. Onder die omstandigheden is een gedwongen beperking van de productie niet meer nodig, want een vrije markt betekent per definitie een vrije productie. Dat de boeren, althans de Nederlandse, de beperking van de productie, en ook de subsidies willen handhaven, is niet zo vreemd. In Nederland is het recht om een kilo melk te mogen produceren veel geld waard. En boeren die willen uitbreiden betalen dat bedrag grif. Het is een simpele rekensom, die echter vooral gebaseerd is op gebakken lucht. Op het moment dat de productiebeperking wordt afgeschaft is het recht om te mogen produceren niets meer waard. Voor de Nederlandse melkveehouderij zou de afschaffing van de productiebeperking en de subsidies een dubbele ramp betekenen. Zonder subsidie kan de Nederlandse melkveehouderij niet concurreren met melkveehouders van buiten Europa. De kostprijs van een kilo Nederlandse melk beweegt zich tussen de 25 cent en 27 eurocent. In Australië en Nieuw Zeeland kunnen ze het voor de helft. Het heeft geen zin om verse melk vanuit Australië of Nieuw Zeeland naar Europa te gaan slepen. Dus voor de productie van verse melk of wat daar tegen aanhangt, zullen in Europa boeren nodig zijn. Maar voor het bewaarbare deel van de zuivelproductie – boter, kaas, toetjes, melkpoeder – gelden die transportbeperkingen niet. Ruim 90% van de Nederlandse melkproductie wordt omgezet in een of andere bewaarbare vorm. Nogmaals: de kostprijs hier is tussen de 25 cent en 27 eurocent. Elders kan het voor de helft van de prijs. Bij een vrijgemaakte zuivelmarkt schiet de niet-Europese concurrentie de Nederlandse collega's binnen de kortste keren uit de markt. De vele boeren die dan noodgedwongen zullen moeten stoppen, kunnen hun bedrijf verkopen. Land, boerderijen, koeien en trekkers zijn altijd geld waard. Maar een leeg productierecht niets. De Nederlandse melkveehouderij mag nu per jaar ongeveer 11 miljard kilo produceren. In het jargon betekent het dat Nederland een quotum heeft van 11 miljard kilo. Afschaffing van de quotering betekent dus voor de sector een kapitaalvernietiging van ongeveer 22 miljard euro. Het betekent ook het einde van de warme sanering die in de melkveehouderij plaatsvond en vindt. Melkveehouders die om welke reden dan ook met hun bedrijf stoppen, kunnen door de waarde die hun quotum nu vertegenwoordigt, op een meer dan comfortabele oude dag rekenen. Gemiddeld heeft een Nederlandse melkveehouder een quotum van rond de 600.000 kilo. Verkoop daarvan levert 1,2 miljoen euro, en dan zijn er nog het land, de gebouwen en de koeien. Maar het kan nog doller. Een boer heeft met zijn quotum drie mogelijkheden. Hij kan het zelf vol melken en hij kan het verkopen. Maar hij kan het ook aan een ander verhuren. En dat gebeurt ook op grote schaal. De gangbare verhuurprijs beweegt zich, met wat schommelingen, rond de 17 eurocent per kilo per jaar. Die verhuur van het quotum levert bij een prijs van 17 cent per kilo per jaar een slimme boer die zijn handen niet vuil wil maken een jaarinkomen van ongeveer ruim 100.000 euro op. De boeren, en dat zijn er nogal wat, die dat doen worden in de melkveehouderij ‘divan melkers’ genoemd. Een boer hoeft natuurlijk niet al zijn quotum te verhuren. Een deel mag ook. Dus slimme boeren die zich niet al te druk willen maken, houden zelf wat koeien aan en doen dat deel van hun productierechten wat ze niet gebruiken in de verhuur. Dat legt in ieder geval een aardig bodempje onder hun jaarlijkse inkomsten. De verhuur van quotum is big business. Gemiddeld brengen 5000 boeren op die manier 577 miljoen kilo quotum in de handel. Tegen een prijs van 17 eurocent cent per kilo betekent dat een jaaromzet van ruim 100 miljoen euro. De quotumgekte heeft ook de agrarische huwelijksmarkt op haar kop gezet. Waar de vrijgezelle boerenzoon vroeger vooral op zoek was naar een boerendochter die de handen uit de mouwen wist te steken, is de toonzetting van de contactadvertenties in de vakbladen de laatste jaren van toon veranderd: ‘Jonge boer, vrijgezel, zoekt voor duurzame relatie boerendochter. Met quotum.’ Zolang de productiebeperking gehandhaafd blijft, zal men in Nederland geen melkveehouder horen klagen. En toch is die quotering de dood in de pot voor de sector. De structurele vernieuwing en verjonging van de sector wordt er mee op slot gezet. Voor opvolgers is de overneming van vaders bedrijf, zeker als er meer kinderen zijn die mee willen profiteren, juist door de exorbitante quotumprijzen, nauwelijks meer te betalen. De gevestigde orde in de melkveehouderij is rijk en rekent zich nog rijker, terwijl potentiële opvolgers de boerderij de boerderij laten. Zo is de vergrijzende zuivelsector bezig zichzelf op te eten. Boeren die willen uitbreiden of een bedrijf willen overnemen, moeten niet alleen land en koeien, maar vooral ook het recht om te mogen melken kopen. De gemiddelde jaarproductie per koe ligt tegen de achtduizend kilo melk. Uitbreiding per koe kost een boer dus ongeveer 15000 euro en dan moet hij de koe nog kopen. Die kost ongeveer 1500 euro.
Overal in Europa geldt in de melkveehouderij een productiebeperking, maar er is geen land in Europa waar de productierechten zoveel geld waard zijn. Dat komt omdat de boeren in rest van Europa zich niet gek hebben laten maken.
Divan-melkers
De mogelijkheden van verhuur en verkoop van productie rechten in de melkveehouderij heeft ook geleid tot een nieuw type makelaar. Er waren al makelaars in huizen, schepen, vliegtuigen en kantoorgebouwen. Nu zijn er ook melkmakelaars die de aanbieders van quotum en de vragers van quotum bij elkaar brengen. Het enige wat ze nodig hebben is een mobiele telefoon en goede contacten. Naar schatting strijken de melkmakelaars op jaarbasis rond de 10 miljoen euro aan provisies op.