Biologisch boeren is nauwelijks meer een kwestie van idealisme. Het hoge geiten-wollen-sokken gehalte heeft plaats gemaakt voor zakelijk instinct. Uit bedrijfseconomische vergelijkingen blijkt dat er met teelten op biologische grondslag een betere boterham te verdienen valt dan met de gangbare manier van produceren. Het is wel anders werken, dat wel.
In de biologische akkerbouw ligt de kostprijs per hectare hoger, terwijl de kilo-opbrengst per hectare aanmerkelijk lager kan zijn. Bovendien is het teeltrisico groter, omdat geen gif tegen ziekten en plagen mag worden gebruikt. De kans op slechtere oogsten is dus groter. Toch is het bedrijfssaldo op het gemiddelde biologische akkerbouwbedrijf 17.000 euro hoger dan bij de gangbare bedrijven. Dat komt omdat de prijzen voor het biologische product fors hoger zijn. In de melkveehouderij zijn de verschillen minder groot, maar doet het rendement van een bioboer niet onder voor dat van een 'gewone' collega. Hij krijgt ruim vijf eurocent, ofwel zo’n 15%, meer per kilo melk.
De goede rendementen in de biologische landbouw zijn niet het gevolg van de toegepaste methode. Gemiddelden zeggen, zeker in de landbouw, niet zo gek veel. Er zijn ook in de biologische tak boeren die met verlies draaien. Het ondernemerschap is ook in de biologische landbouw bepalend voor het rendement, en niet de methode. De meeste boeren die omschakelen hebben hun zaakjes ook als gangbare boer goed voor elkaar. Ze zijn zo rond de veertig, hebben een solide financiële positie en zoeken een nieuwe uitdaging. Ze bekijken de overstap naar biologisch boeren nadrukkelijk vanuit een zakelijk perspectief. En daar is niets mis mee. Het toont aan dat de weerzinwekkende praktijken van de gangbare landbouw helemaal niet nodig zijn om als landbouwer een behoorlijke boterham te verdienen.
Dat zakelijk perspectief wordt nog maar door een zeer beperkte groep boeren gezien. In Nederland wordt slechts 0,6% van het landbouwareaal gebruikt voor biologische landbouw door ruim 500 boeren. In Duitsland, Denemarken en vooral Oostenrijk liggen die percentages fors hoger. De jaarlijkse groei van de biologische landbouw is in die landen ook veel sterker dan hier.
Als hoofdschuldige van de hier achterblijvende groei wordt vaak de Nederlandse consument aangewezen. Die zou volgens allerlei marktonderzoeken best bereid zijn om meer te betalen voor biologische producten. Maar eenmaal in de winkel kiezen de meeste toch voor het goedkopere gangbare product. Een kleine, maar groeiende minderheid, van de consumenten koopt regelmatig producten uit de biologische landbouw. Niet voor niets is ruim 60% van het biologische product bestemd voor exportmarkten.
Kennelijk denkt de Nederlandse consument helemaal niet als het om voeding gaat. Vreemd is dat niet voor een volk dat de gehaktbal, de kroket en de frikadel tot haar culinaire hoogstandjes rekent. In alle drie de gevallen gaat het om afval van afval. Gehakt wordt gemaakt van vleesresten. Wat er in een kroket of frikadel zit wilt u niet weten.
De relatief geringe groei van de biologische landbouw is niet alleen het gevolg van achterblijvende afzetmogelijkheden op de binnenlandse markt. De structuur van de Nederlandse landbouw is een minstens even grote belemmering. Die wordt gekenmerkt door een hoge mate van specialisatie: relatief grote bedrijven die, om de kostprijs zo laag mogelijk te houden, zich slechts met een zeer beperkt aantal producten bezighouden. Die vroegere succesformule staat een grootschalige omschakeling naar een biologische manier van produceren in de weg. Wat natuurlijk ook helpt is dat de weggestopte kosten uit gangbare landbouw niet in de prijs in de supermarkt worden doorberekend. Net zo min als de subsidies.
In de biologische akkerbouw worden bodemziekten en andere plagen niet met gif bestreden, maar geprobeerd te voorkómen. Veel bodemziekten ontstaan doordat steeds weer hetzelfde gewas op een bepaald stuk land wordt geteeld. Biologische boeren werken met zogenoemde vruchtwisseling. Een akker waar dit jaar bijvoorbeeld erwten op zijn geteeld, wordt pas over zes jaar weer voor erwten gebruikt. Normaal houdt een akkerbouwer het bij drie teelten: aardappelen, graan, suikerbieten. Om vruchtwisseling te kunnen toepassen zijn er meer verschillende teelten nodig. En dus ook meer vakmanschap, want zo 'n aanpak maakt de zaak een stuk ingewikkelder. Tegelijk wordt het werk voor zo 'n boer ook aanzienlijk interessanter.
Omschakeling is geen eenvoudige zaak. Boeren die dat willen doen, moeten eerst minimaal drie jaar biologisch produceren voor ze hun producten onder het biokeurmerk mogen verkopen. Eerst moet de grond zijn uitgeziekt van gif en kunstmest. Tijdens die overgangsperiode springt de overheid financieel bij. De boer produceert immer biologisch, maar kan zijn producten nog niet als ‘biologisch’ verkopen en krijgt dus ook niet de hogere prijs.
Per jaar zijn enkele tientallen miljoenen euro’s beschikbaar voor een verdere stimulering van de biologische landbouw. Dat lijkt een fors bedrag maar is het niet. Afgezet tegen de ruim 600 miljoen euro die per jaar alleen al naar de Nederlandse gangbare melkveehouderij gaat, heeft de stimuleringssubsidie voor de biologische landbouw dus vooral een symbolische betekenis.
Anders gezegd: we geven per jaar ruim 600 miljoen euro subsidie om een dubieuze bedrijfstak in stand te houden en hebben er maar een paar grijpstuivers voor over om dat te veranderen.
In de biologische landbouw zijn twee stromingen. De biologisch- dynamische tak is de oudste en ontstond in 1924 op basis van het gedachtegoed van de antroposoof Rudolf Steiner. Deze overigens omstreden denker verwierp niet alleen het gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest, maar legde ook een verband tussen mens en kosmos. Biologisch-dynamische boeren laten zich bij hun bedrijfsvoering vooral leiden door de stand van de maan en de sterren. Zij zaaien op basis van een speciaal daarvoor uitgegeven kalender bij rijzende maan, en oogsten na volle maan.
In de jaren zeventig ontstond op basis van een groeiend bewustzijn over de toestand van het milieu de tweede stroming: de ecologische landbouw. Bestrijdingsmiddelen en kunstmest zijn bij de aanhangers van deze stroming eveneens taboe, maar aan de stand van de maan en de sterren heeft men bij deze bedrijfsvoering geen boodschap. Beide stromingen worden tot de biologische landbouw gerekend en zijn elk goed voor ongeveer de helft van het biologische landbouwareaal. De groei van de biologische landbouw zit vooral bij de ecologische tak.
Biologische landbouw is een internationaal gehanteerde en beschermde verzamelnaam geworden. De Europese Unie heeft in 1991 de voorwaarden waaraan een plantaardig of dierlijk biologisch product moet voldoen, vastgelegd in een verordening. Goedgekeurde biologische producten mogen het Eko-keurmerk voeren. De controle hierop wordt in Nederland gedaan door de stichting Skal, een door het Ministerie van Landbouw aangewezen organisatie van biologische boeren, verwerkers en handelaren.
Voor Nederland was een uitzondering op de Europese verordening nodig, en die hebben we dan ook gekregen. Het komt er op neer dat Nederlandse biologische producten eigenlijk niet biologisch zijn, maar wel zo mogen heten. Dat zit zo: in plaats van kunstmest krijgen de gewassen op biologische bedrijven een dieet van organische mest. En daar ligt voor de Nederlandse bioboer, opgeslagen in enorme mestsilo's, precies het hete hangijzer.
Akker- en tuinbouw begint bij bemesting. Ook een plant moet eten. Op biologische bedrijven mag geen kunstmest worden gebruikt en is organische mest (stront van koeien, kippen, varkens) de norm. Maar er is in Nederland geen biologische organische mest te krijgen. Biologische veehouders hebben de mest van hun beesten zelf nodig en hebben door hun bedrijfsvoering nauwelijks overschotten. Dus zijn de biologische akkerbouwers en tuinders die zelf geen vee houden, aangewezen op de mest van gangbare boeren. Van de Europese Unie mag het, maar het roept wel de vraag op hoe 'biologisch' het in Nederland geproduceerde biologische product eigenlijk wel is. Dat vlekje is voorlopig ook niet weggewerkt.
Voor biologische landbouwers is het vrijwel ondoenlijk om naast hun akkerbouwbedrijf ook een veebedrijf te beginnen. De investeringen in bijvoorbeeld een melkveehouderij zijn enorm. Los van land en koeien moeten ook productierechten (quotum) worden aangekocht. Om een beetje rendabel te kunnen werken, heeft een melkveehouderij toch al snel een quotum van 600.000 kilo melk nodig. Dat alleen al kost 1,2 miljoen euro en dan staat er nog geen koe in de wei.
Voor varkens of kippen geldt een soortgelijk verhaal, alleen gaat het daar niet om productierechten maar om mestrechten.
Om duurzaam te kunnen produceren, moet er op een geïntegreerde manier worden geproduceerd. Dat wil zeggen van elke tak van sport een beetje. Gecombineerde bedrijven die naast akker- of tuinbouw ook aan veeteelt doen.
Dat staat haaks op de gangbare trend in de agrosector waarbij juist gestreefd wordt naar verdere specialisatie.