De wereld telt ruim zes miljard bewoners. Van die zes miljard mensen heeft ongeveer een miljard een goed tot redelijk goed leven in materiële zin. Dat zijn de mensen die leven in de rijke delen op het noordelijke deel van de aardbol, de Verenigde Staten en Europa. De meeste bewoners van die streken kunnen het zich veroorloven om te werken om te leven. Van de overige vijf miljard kunnen ruim vier miljard mensen zich met veel gesappel en moeite overeind houden. Zij leven om te werken en als ze dat niet doen hebben ze geen leven.
En dan zijn er volgens de Wereldvoedsel Organisatie van de Verenigde Naties nog ruim achthonderd miljoen mensen die niet kunnen werken en daarom nauwelijks kunnen leven, maar wachten. Tot er voedsel komt. Zij leven in gebieden waar de plaatselijke machthebbers, vaak ondersteund door westerse regeringen, hun onderlinge oorlogen over de rug van hun volk uitvechten. Daar sterven ze - het ene jaar bij duizenden, het andere jaar bij honderdduizenden - van de honger. Terwijl er tegelijkertijd tegen het einde van de vorige eeuw zoveel voedsel werd geproduceerd dat in Europa boeren betaald werden om niet te produceren. Het varieert een beetje van jaar tot jaar, maar gemiddeld wordt tussen de 10% en 15% van het Europese landbouwareaal uit productie gehaald. Dat heet in het Europese jargon 'de braak-lig-regeling'. Deze maatregel heeft slechts een doel: de prijs voor akkerbouwproducten op niveau houden.
In de vorige eeuw is, eind jaren tachtig, tijdens een werelvoedseltop door de rijke landen afgesproken dat de schande van de honger en armoede in de wereld tussen 1990 en 2015 zou moeten zijn gehalveerd. We hebben nog zeven jaar te gaan tot het 2015 is en papier is geduldig, maar uit recente cijfers van de Wereld Voedsel Organisatie blijkt dat de honger en de armoede niet zijn afgenomen, maar juist zijn toegenomen.
Het lijkt er zelfs op dat de honger alleen nog maar verder zal toenemen. De prijzen voor akkerbouwproducten zijn sinds 2006 fors aan het stijgen. Dat komt vooral omdat een steeds groter deel van de basisproducten zoals maïs, tarwe, en soja worden gebruikt voor de productie van biodiesel. Een product dat overigens eveneens zwaar wordt gesubsidieerd en helemaal niet zo ‘groen’ is als men wil doen geloven. De maïs, tarwe en soja die wordt gebruikt staat immers stijf van de fossiele energie. De agro-lobby probeert al decennia om via zogenoemde agrificatie (landbouwproducten gebruiken als grondstof in plaats van olie) een tweede afzetkanaal te vinden en is daar dankzij de aandacht voor het broeikaseffect nu dan kennelijk in geslaagd.
De hoge grondstofprijzen bezorgen de Europese en Amerikaanse record-inkomsten terwijl tegelijkertijd het voedsel in ontwikkelingslanden onbetaalbaar dreigt te gaan worden. Een prijsstijging van 10 eurocent voor een brood heeft in gebieden waar men per gezin moet zien rond te komen van 1 euro per dag, een iets ander effect dan in het schatrijke Europa.
Overigens ziet de agro-lobby in de hoge grondstofprijzen geen enkel argument om afscheid te nemen van de subsidies: zij vinden de subsidies ‘opgebouwde rechten’ waar niet aan getornd kan worden. Bovendien is het onzeker of de huidige hoge voedselprijzen blijvend zijn. Daarom is het volgens de agro-lobby niet zo verstandig de regeling nu af te schaffen. Daarom mogen de boeren vanaf 2008 weer al hun grond gebruiken, terwijl de subsidie voor het braak leggen gewoon wordt doorbetaald.
Merkwaardig? De boeren vinden dat heel normaal.
Die zelfde boeren zijn overigens medeverantwoordelijk voor de honger in de wereld en voor de instandhouding van dat probleem, al zien ze dat zelf een slag anders. Europese boeren zijn juist goed voor hun arme medemens en als het nodig is geven ze ruimhartig voedselhulp. Zeker, dat gebeurt soms. Maar die voedselhulp komt uit overschotten die uit de markt zijn gehaald. De boer krijgt voor de overschotten die hij produceert, betaalt. Het is dus niet de Europese boer, maar de Europese burger die voedselhulp verstrekt. Ruimhartig is het zeker niet want het gaat om kruimels vergeleken met de steun, dus hulp, die de boeren in het rijke westen jaar in jaar uit van diezelfde burger krijgen. In 2008 krijgen de Europese boeren 45 miljard euro via de Europese Unie. Voor voedselhulp is 160 miljoen euro uitgetrokken.
Voedselhulp is mooi, maar het zou nog mooier zijn als die hulp niet nodig zou zijn omdat men zich in die landen zelf kan bedruipen. Landen die dat proberen komen van een koude kermis thuis, zoals men de laatste jaren in Afrika heeft kunnen merken. Kameroen, Ghana, Ivoorkust en Togo hadden een voor Afrikaanse begrippen goed draaiende pluimveesector. Met dank aan de pluimveesector in onder andere Nederland is die de nek omgedraaid.
De Europese consument is waar het om de kip gaat vooral geïnteresseerd in het borststuk van het dier, de zogenoemde kipfilet. Een kippenpootje gaat er ook nog wel in, maar dan houdt het wel op. Van de rug, de poten en de vleugels, om nog maar te zwijgen van de wekere delen, moet de consument hier niets hebben. Er blijft in de slachterij dus verhoudingsgewijs veel kip achter. Die restanten werden vroeger verwerkt in veevoer, maar sinds het uitbreken van de gekkekoeienziekte, een direct gevolg van het voeren van dieren aan dieren, mag dat niet meer.
Een nieuw afzetkanaal werd gezocht en gevonden in landen als Kameroen, waar kippen eerst worden gehouden voor de eieren en dan promoveren tot slachtkip. Van zo’n kip blijft in landen als Kameroen weinig tot niets over omdat de consument daar om voor de handliggende redenen iets minder kieskeurig is dan in Europa. En zo begon de Europese pluimveesector in Afrika met behulp van exportsubsidies haar naar Europese begrippen ‘afval’ te dumpen. Door die subsidie waren de kiprestanten uit Europa veel goedkoper dan de prijs die de lokale kippenboeren gewend waren voor een kip te vragen. In de periode 1996 tot 2003 steeg in Kameroen de invoer van Europees kipafval van 978 ton naar 12000 ton. In diezelfde periode ging 90% van lokale pluimveehouders failliet en verloren ruim 110.000 mensen hun baan.
De ondergang van de pluimveesector had meer gevolgen. De toeleverende industrie moest een paar stevige veren laten. Akkerbouwers hadden geen afzetkanaal meer voor hun maïs. Bovendien verloren ze een interessant bijproduct dat de lokale pluimveesector goedkoop leverde: kippenmest. Kunstmest is nauwelijks een optie (te duur), en zonder mest groeien planten maar matig. Door de lagere opbrengsten gingen ook de inkomsten van die boeren achteruit.
Toen de regering van Kameroen probeerde om met een importheffing de oneerlijke concurrentie uit Europa te keren, werd deze door de Wereldbank en het IMF (Internationale Monetaire Fonds) op het matje geroepen. Als Kameroen een beroep wilde blijven doen op leningen, moest de importheffing op kipvlees en andere producten natuurlijk wel van de baan. En dat gebeurde dan ook. Niet alleen in Kameroen. Ghana, Ivoorkust en Togo kregen met dezelfde chantage te maken. Op die manier werd en wordt in een aantal Afrikaanse landen de landbouw trefzeker de nek omgedraaid, want het gaat niet alleen om pluimvee. Europese tomaten in de vorm van puree verpesten er, zwaar gesubsidieerd, het leven van de Afrikaanse tuinder. Melkveehouders krijgen er nauwelijks kans hun bedrijven te ontwikkelen omdat in de winkels de zeer goedkope, want zwaar gesubsidieerde, melkpoeder uit Europa ligt. Ook hier blaast de Nederlandse boer zijn partijtje stevig mee. Friesland Dairy Foods is een van de grotere spelers op de Afrikaanse markt.
Terug naar de kip. De Europese pluimveesector heeft zelf ook last van concurrentie. In Thailand en Brazilië kan veel goedkoper worden geproduceerd en daar hebben de kippenboeren geen exportsubsidie nodig om te kunnen concurreren met Europa. Dus probeert Europa de deur dicht te houden en mag er maar mondjesmaat kipvlees uit die landen komen. Dat is niet helemaal juist geformuleerd. Alle kip is hier welkom, maar als de import in Europa boven de 260.000 ton per jaar komt dan moet over het meerdere een stevige importheffing worden betaald. Ter vergelijking: Nederland alleen al exporteert jaarlijks ruim twee keer zoveel aan kipvlees.
Over de importheffingen die Europa oplegt aan andere producenten om de eigen pluimveesector te beschermen, zwijgen zowel het IMF als de Wereldbank discreet.