De Nederlandse landbouw cultiveert een groen imago. Een economische sector waar van 's morgens vroeg tot 's avonds laat keihard wordt gewerkt om het volk van hoogwaardig kwaliteitsvoedsel te voorzien tegen een lage prijs. En passant wordt gratis het platteland onderhouden.
De sector zelf ontleent aan die mythe het recht op een voorkeursbehandeling. En de samenleving geeft hen dat recht. Maar wie dat groene sprookje wat zorgvuldiger bekijkt, ziet het al snel veranderen in een groot zwart gat. Daarin verdwijnen op jaarbasis niet alleen miljarden euro’s aan subsidies, maar stukje bij beetje ook normen en waarden. Achter de boerenhoeven en akkers gaat een immense afvalverwerkende industrie schuil. Bijna 80% van het voer dat in de veeteelt wordt gebruikt bestaat uit afval.
Maïs, graan en tarwe krijgt in de vorm van bodembemesting als hoofdmaaltijd een enorme partij mest van nogal bedenkelijke kwaliteit voorgeschoteld. De Nederlandse zuivelproducten zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op afvalproducten uit de voeding- en genotmiddelenindustrie. Uit een oogpunt van recycling is dat een ongekend, maar wel zwaar gesubsidieerd, hoogstandje.
In toenemende mate wordt dat hoogstandje ter discussie gesteld. De consument wil eerlijk voedsel, geen variant op wat er in de afvalbak wordt gegooid. En hij wil er ook maar één keer voor betalen. In de winkel, en niet ook nog eens via zijn belastingbiljet.
De Groene Lobby heeft de kritiek op de productiemethoden en de enorme subsidies altijd schouderophalend afgedaan als: onzin en ging over tot de orde van de dag. In alle bestuurslagen van Nederland – de Tweede Kamer, de Provinciale Staten en de Gemeenteraden - waren de vertegenwoordigers van het boerenbelang via het CDA ruim aanwezig. Zij zetten de toon en zij bepaalden de politiek-bestuurlijk psalm die moest worden gezongen. Die machtspositie is de Groene Lobby met de teruggang van het CDA kwijt geraakt, en de gevolgen daarvan worden met de dag meer zichtbaar. Het boerenbelang is in de bestuurslagen niet langer meer heilig en komt steeds vaker onder scherp vuur te liggen.
Sinds kort is het schouderophalen van de voormannen in de landbouw veranderd in terugbijten. Daarbij wordt het wapen van de halve waarheid veelvuldig gebruikt. In de discussie over de agrosector brengen de voormannen steeds naar voren dat 60% van de Nederlandse landbouwproductie zonder subsidies en ‘schoon’ tot stand komt. Steevast wordt daarbij de glastuinbouw als paradepaardje van stal gehaald. Een slechter voorbeeld is niet denkbaar.
In het Westland wordt jaarlijks voor miljarden aan tomaten, komkommers en paprika's geteeld. Rond Aalsmeer heeft zich een miljardenindustrie voor de productie van rozen, anjers en chrysanten ontwikkeld. Het oogt prachtig, maar die planten horen daar niet thuis. Normaal gesproken groeien ze in subtropische gebieden. In ons kikkerlandje met zijn korte en vaak natte, koude zomers is met de teelt van dergelijke producten geen droge boterham te verdienen.
En daarom imiteren we met glazen kassen een subtropisch klimaat. Zonder verwarming kan de Nederlandse zomer in die kassen per jaar met een paar weken worden verlengd. Met verwarming kan het hele jaar een subtropisch klimaat worden geïmiteerd. De energieleverancier daarvoor is te vinden in de gasvelden van Slochteren. En de subsidie in het hoofdkantoor van de Gasunie te Groningen.
De prijs die een Nederlander voor het aardgas betaalt, wordt bepaald door de vraag of hij een groot- of kleinverbruiker is. Kleinverbruikers betalen meer, grootverbruikers betalen minder. Een gemiddelde tuinder jaagt heel wat aardgas door zijn ketels om zijn kassen te kunnen verwarmen. Maar lang niet genoeg om volgens de daarvoor geldende normen tot ‘grootverbruiker’ te kunnen worden gebombardeerd. Daar heeft men al in de jaren zeventig het volgende op gevonden.
Alle Nederlandse tuinders zijn samen wel een grootverbruiker. En dus werd de totale Nederlandse tuinbouw uitgeroepen tot grootverbruiker. De individuele tuinder, die een kleinverbruiker is, kan zo toch gas kopen tegen het tarief van de grootverbruiker. Dat scheelt ruim de helft. Het is in de strikte zin van het woordgebruik geen subsidie, maar via de achterdeur van de tuinderskas natuurlijk wel.
Het is in het kunstmatig gekweekte subtropische klimaat van de tuinderskassen geen pretje om te werken. Zweten kan nauwelijks door de hoge luchtvochtigheid die tegen het glas blijft hangen. En dan zijn er nog de tuinders die in het verleden geen beste reputatie als werkgever hebben opgebouwd. In combinatie met de relatief magere salariëring is het misschien wel de belangrijkste reden waarom het voor hen zo moeilijk is om personeel te krijgen.
Al sinds het eind van de jaren zestig drijft een fors deel van de Nederlandse tuinbouw op, voor een deel illegale, arbeidskrachten uit Marokko en Turkije. Voor de vorm wordt om de zoveel tijd een ‘razzia’ zoals de tuinders het zelf noemen, gehouden. Maar de praktijk is dat de overheid deze vorm van illegale arbeid oogluikend toestaat. Dat is ook subsidie, want het drukt de arbeidskosten.
De derde vorm van subsidie via de achterdeur is te vinden langs de Europese grenzen. Concurrenten van buiten Europa moeten hoge heffingen betalen om met hun producten de markt op te kunnen. Die heffingen zijn zo hoog dat ze niet meer kunnen concurreren, en het dus wel uit hun hoofd laten. Ook dat is subsidie.
De bewering dat 60% van de Nederlandse landbouwproductie tot stand komt zonder subsidie, moet dus met een paar scheppen zout worden genomen.