Natuur


Moet een koe niet slapen? Heeft een kip geen recht op rust? Of varkens dan? In de stallen waar de moderne boer zijn vee houdt, brandt vierentwintig uur per dag in naam van de productie het licht. Voor de echte bewoners van het Nederlandse platteland, de veestapel,  wordt het nooit meer donker.

De Commissaris van de Koningin in Friesland, Ed Nijpels, werd een half jaar na zijn benoeming uitvoerig geïnterviewd door Omrop Fryslân. Bijna lyrisch vertelde Nijpels dat hij de zomerse weekenden had gebruikt voor een uitvoerige verkenning van het Friese platteland. Vooral de kleine dorpjes, keurig onderhouden, in de prachtige natuur hadden hem zeer ontroerd: 'Als je tegen het vallen van de avond tussen de akkers en de weilanden staat, krijg je bijna tranen in de ogen.'

Het is inderdaad om te huilen. Want wat de Friese commissaris voor natuur aanziet heeft daar weinig meer mee te maken. Sinds het begin van de jaren vijftig zijn grote delen van het Nederlandse platteland ingrijpend op de schop gegaan. Grotendeels op kosten van de belastingbetaler ging het platteland onder het mes van de ruilverkaveling.

Natuurlijk landschap is grillig. Stukken land van ongelijke grootte, doorsneden door kronkelslootjes waarmee de natuur haar eigen afwatering regelde. Langs de randen van die slootjes had de natuur zelf haar stoffering aangebracht met aangewaaid struikgewas waaruit het hier en daar een boom was gelukt te overleven. De mens volgde de natuur en maakte langs de bredere sloten de wegen. Hobbelige weilanden met een hoog grondwaterpeil vormden een paradijs voor vogels, kleine dieren en een wilde variëteit aan planten. Een weiland was meer dan gras.

Dat was voor de vooruitstrevende boer nou precies het probleem en het werd via de ruilverkaveling keurig voor hem opgelost. De kronkelslootjes werden gedempt, en de stoffering er langs weggehaald. Kleinere kavels grond werden op die manier tot een grote prak land samengevoegd. De kronkelende wegen verdwenen en werden recht getrokken. Kaarsrechte brede strepen met brede bermen. Zonder bomen, want die staan de vooruitgang alleen maar in de weg. Daarna kwamen de grote grondmachines die het land tot op een meter of dieper ploegden en drainagesystemen aanbrachten. Met dat drainagesysteem kon de waterstand op de percelen worden geregeld. Hoe lager hoe beter, want in natte grond zakken zware machines weg. En de machines werden steeds zwaarder en breder. Het geheel werd opgeleverd als een groen biljartlaken waar uitsluitend nog het door de boer gewenste gras groeide. Gras, en niets anders dan gras. Engels raaigras. Net zo erg als zand in een woestijn. Er mag en wil niets anders groeien.

Langs de randen van de dorpen werden, ter compensatie van al die wegverkavelde natuur, stukjes land bebost. Niet teveel, en met snel groeiend spul zoals populieren. Waaibomenhout dat slechts een jaar of tien de illusie van een bos geeft en dan moet worden omgezaagd om aan een volgende groeicyclus te kunnen beginnen. Het idyllische plaatje van de commissaris van de Koningin van Friesland is een groene woestijn. Door de ruilverkaveling kapot gemaakte natuur waar de dictatuur van de landschappelijke liniaalarchitectuur heerst. Kaarsrecht. Zonder enige variatie.

Met de ruilverkaveling kwamen ook de zogenoemde ligboxstallen. Grote loodsen met zwarte golfplaten daken waar de boer zijn koeien, varkens of kippen houdt. Deze blokkendozen vloeken met de doorgaans karakteristieke boerderijen maar er was op het platteland geen schoonheidscommissie te vinden die daar iets van durfde zeggen. Die commissies hadden het veel te druk met het pesten van de gewone burgers wanneer die een dakkapel op, of een schuurtje naast hun huis wilden bouwen. Dergelijke moderniteiten tasten het historische karakter van het dorpsgezicht aan, en dienen dus verboden, dan wel krachtig tegen gewerkt te worden.

En de plattelandsbewoner voeg zich verbijsterd af wat dan wel het historische karakter was van de ligboxstallen waarnaast in plaats van een paar mooie karakteristieke bomen, grote hopen met zwart plastic bedekt gras als versiering dienst doen. Het geheim van de ligboxstal zit overigens niet boven, maar onder de grond. De ligboxstal is gebouwd op een grote in de grond gebouwde betonnen bak. Het dak van die bak fungeert als vloer in de stal, en er zijn om de zoveel centimeter sleuven in aangebracht. De koeien die door de stal lopen, schijten op die vloer en samen trappen ze in de loop van de dag hun stront door die sleuven in de betonnen bak onder stal. Dat is makkelijk voor de boer, want dan hoeft hij het zelf niet elke dag op te ruimen. Of de koe het nou zo prettig vindt om de hele dag door de stront te banjeren, doet voor de boer niet zoveel ter zake. Erg hygiënisch is het in ieder geval niet.

Een paar keer per jaar laat de boer de betonnen bak met stront leeg zuigen, en brengt het over zijn land. Dat zijn de dagen in het voor- en najaar dat de Nederlandse landbouw haar ware gezicht laat ruiken. Stront ruikt. Daar is het nu eenmaal stront voor. Maar de hoofdpijntrekkende walm die van de mest van de meeste boeren over de landerijen waait, doet vermoeden dat hij geen mest verspreidt, maar chemisch afval.

De laatste jaren is de horizonvervuiling op het platteland weer een paar stappen verder gegaan. Op veel boerenbedrijven staan nu ook een of meer windmolens. Grote witte propellers die de stroom uit de lucht plukken. Deze 'groene' stroom wordt aan het publiek verkocht als een goedkope vorm van milieuvriendelijke energie. Goedkoop is het zeker. Voor de boer althans. De honderden horizonvervuilende windmolens staan stijf van de subsidies en vormen op die manier een goedkope bron van inkomsten als het een beetje wil waaien.

De term ‘platteland’ staat voor veel stadsbewoners gelijk aan ‘rust en ruimte’. Die ruimte wordt verpest door de ligboxstallen en de windmolens en de stilte door het machinepark dat de modale boer nodig heeft. Naarmate bedrijven groter worden groeit ook het benodigde machinepark. Niet zozeer in aantal, maar in vermogen. Waar vroeger op de landerijen en in de weilanden de trekkertjes naar de boerderijen terugkeerden omdat het donker werd, grommen en grauwen de 350 pk-trekkers van het ingehuurde loonbedrijf  als het zo uitkomt de nachtelijke stilte aan flarden. In de stallen brandt vierentwintig uur per dag het licht. Een koe hoeft niet te slapen, en daarom wordt het op het platteland nooit meer donker.

Een paar keer per week komt de krachtvoerwagen langs op de boerderij en blaast onder hoog vermogen en veel lawaai het voer de silo in.

De nieuwste mode in de melkveehouderij is de melkrobot. Een machine waarmee de boer geheel automatisch vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, en driehonderdvijfenzestig dagen per jaar zijn koeien kan laten melken. Voor de boer is zo’n robot een uitkomst. Hij wordt verlost van de plicht om twee keer per dag voor een uur of twee de melkkuil in te stappen. De meeste boeren die zo’n robot hebben aangeschaft zijn er daarom zeer tevreden over. Omdat ze zonder robot zelf twee keer per dag hun koeien moeten melken zijn ze eigenlijk een gevangene van hun eigen bedrijf. Ze kunnen niet weg wanneer zij het willen. De koeienuiers dicteren het dagritme van de boer.

De melkrobot geeft de boeren een vrijheid die ze nooit hebben gehad, maar hun koeien komen niet meer buiten. Om de zoveel uur moeten ze bij de melkrobot in de stal langs. En dat gaat het handigste als de koe in de stal blijft. De robot zorgt ook voor een hogere productie. De melkrobot leegt de uier meerdere keren per dag. Daardoor blijft de melkklier van de koe ook continu in productie. Bij twee keer melken per dag zet die melkklier zichzelf stil als de uier vol is. De robot zorgt er voor dat de uier nooit helemaal vol is. Maar het motortje van de robot draait onafgebroken.

De melkrobot maakt de boer ‘vrij’, maar op het platteland wordt het nooit meer stil.