Niet zo gek lang geleden verscheen een studie over de betekenis van de agrosector voor de Nederlandse economie. En warempel, het is de onderzoekers van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) en het Centraal Planbureau (CPB) andermaal gelukt om de kernproblemen te omzeilen. Die zijn: overproductie, milieubeschadiging en voor deelsectoren een combinatie van die twee. De overproductie wordt weggewerkt met behulp van miljarden subsidies, de kosten van de milieubeschadiging worden doorgeschoven naar volgende generaties.
In het onderzoek worden die twee kernproblemen letterlijk en figuurlijk weg gerelativeerd. De redenering is als volgt. Wie het economische belang van de landbouw echt wil beoordelen, zou niet moeten kijken naar de absolute hoogte van de subsidiebedragen, maar naar de relatieve betekenis ervan. Zonder die subsidies wordt de Nederlandse belastingbetaler volgens de studie geconfronteerd met andere kostenposten. Volgens de onderzoekers zijn dat hogere prijzen voor voedsel, en hogere kosten voor boeren die in de bijstand komen. Netto maakt het dus allemaal weinig uit. Waarbij overigens moeten worden vastgesteld dat wanneer alle boeren in de bijstand terecht komen, de kosten voor de burger aanzienlijk lager zouden zijn dan de huidige subsidieregelingen.
Bovendien komen in Nederland de landbouwsubsidies vooral terecht bij de melkveehouders en dus mag volgens het LEI niet de hele sector er op worden aangekeken. De totale subsidiestroom naar de Nederlandse landbouw wordt geschat op 4,5 miljard euro. De onderzoekers van het LEI en het CPB vinden die schatting veel te hoog. De werkelijke steun zou onder andere door allerlei terugkoppelingen iets meer dan 1 miljard euro bedragen.
De redenering dat het netto allemaal weinig uitmaakt is op z’n minst aanvechtbaar. De stelling dat het voedsel in Europa zonder landbouwsubsidies voor de consument duurder zou worden klopt niet. De subsidies houden de voedselprijzen juist kunstmatig hoog. Daardoor is het voedsel in Europa ongeveer 25% duurder dan in de rest van de wereld. Als Europa de beschermingsconstructies voor de eigen landbouw weghaalt en concurrenten van buiten Europa vrije toegang tot de Europese markt hebben, gaan de voedselprijzen juist omlaag.
Bovendien hoeft de consument die doorgaans ook belastingbetaler is, minder belasting te betalen omdat de subsidies wegvallen. Het Europese landbouwbeleid kost jaarlijks ruim 45 miljard euro. In Europa (voor de uitbreiding) wonen ongeveer 350 miljoen mensen. Dat betekent per persoon per jaar een bijdrage van ruim 245 euro aan de boerenstand. Een gezin van vier personen betaalt dus jaarlijks via het belastingbiljet ruim bijna 1000 euro voor het toch al te dure voedsel.
De stelling dat de kosten voor bijstand omhoog zullen schieten is absurd. Om te beginnen zullen lang niet alle boeren verdwijnen als de beschermingsconstructies en subsidies worden opgeheven. Bovendien valt niet goed in te zien waarom een boer die moet stoppen, de rest van zijn leven niet meer zou hoeven of kunnen werken. Het zou betekenen dat een boer uitsluitend geschikt is om boer te zijn.
Met de milieukosten valt het volgens de onderzoekers reuze mee. Al was het alleen maar omdat de waardering van milieuschade in economische termen lastig is. Bovendien is het niet eenvoudig om de geraamde schade toe te rekenen aan specifieke activiteiten. Maar de grootste verdwijntruc rond dit thema is te vinden in de economische structuur van Nederland. Die wordt gedomineerd door dienstverlenende sectoren met een immateriële productie en die scoren per definitie beter op het punt van milieuvervuiling dan sectoren met een materiële productie zoals de agrosector. Dus mogen die twee sectoren volgens de studie niet met elkaar worden vergeleken. Daarom zou niet kunnen worden volgehouden dat de agrosector meer vervuilt dan andere sectoren.
Een nogal curieuze redenering. Te meer omdat er rond de transportsector, om maar een dienstverlener te noemen, hevige discussies plaatsvinden als het gaat om de aanleg van een hogesnelheidslijn, de uitbreiding van Schiphol en de aanleg van de Betuwelijn. Inzet van die discussie: de milieueffecten.
De onderzoekers menen dat in het debat tussen voor- en tegenstanders over de agrosector te veel vanuit zwart-wit-tegenstellingen wordt gediscussieerd. Fout natuurlijk, want de werkelijkheid is veel genuanceerder. Daar is iets voor te zeggen. Maar, wie zo'n positie inneemt moet dat uitgangspunt dan ook zelf praktiseren. Bij hun analyse van de kosten voor de niet-landbouw gaan de onderzoekers ervan uit dat landbouw geheel verdwenen is. Dat is niet alleen behoorlijk zwart-wit, er is buiten de landbouw niemand die daar om vraagt. De enige vraag die critici stellen is: 'mag het ook een onsje minder zijn?'
Die vraag is uiterst legitiem. Niet alleen vanuit het absolute maar ook vanuit het relatieve perspectief. Het gaat hier om herverdeling van door de belastingbetaler opgebrachte middelen. In dat geval komt niet alleen de noodzakelijkheids-, maar ook de rechtvaardigheidsvraag aan de orde. De bedoeling van het huidige landbouwbeleid is immers de (kleine) boeren financieel in het zadel te houden. Voor een antwoord op die vragen dient een korte blik te worden geworpen in de portemonnee van de Nederlandse melkveehouders en die van de varkenshouders. De eerste groep doet immers de grootste greep in de subsidiepotten. De tweede groep verziekt niet alleen kosteloos het milieu maar ook het imago van de sector in de markt.
Er gaan jaarlijks honderden miljoenen euro’s aan subsidies naar de melkveehouderij. Omgerekend krijgt een boer met vijftig koeien zo’n 23000 euro subsidie. Een grotere collega met honderd koeien strijkt ruim 50.000 euro op. Per jaar. Ter vergelijking: de uitkering voor een gezin in de bijstand is ongeveer 15000 euro.
Die subsidies kunnen makkelijk per bedrijf worden uitgerekend. Een fors deel van de Nederlandse zuivelproductie wordt buiten de Europese Unie verkocht. Daar zijn de prijzen lager dan in Europa. Brussel past dat prijsverschil en noemt dat ‘exportrestitutie’. Dat bedrag wordt één keer per jaar bijgeschreven op de rekening van het Productschap voor Zuivel. Het Productschap verdeelt dat geld weer over de exporterende zuivelcoöperaties op basis van de hoeveelheid zuivelproducten die zo’n coöperatie buiten de Europese Unie heeft verkocht. De coöperatie stopt het geld weer in de melkprijs die aan de boeren wordt uitbetaald. Door het bedrag aan exportrestituties dat Nederland in een gegeven jaar ontvangt, te delen door het aantal kilo’s melk dat Nederland mag produceren, valt makkelijk de subsidie per kilo melk te berekenen.
De afgelopen tien jaar was dat gemiddeld ruim vijf eurocent. Vraag aan een melkveehouder hoeveel melk hij mag produceren, vermenigvuldig dat met vijf eurocent en u weet hoeveel subsidie hij per jaar ontving. Voor de melk. Er zijn ook nog regelingen om de prijs voor het vlees in de benen te houden, en een woud van andere beschermingsconstructies die een stevig fundament onder het boereninkomen leggen.
De boeren zelf ontkennen overigens bij hoog en bij laag dat ze zoveel subsidie krijgen. Een enkeling beweert zelfs dat hij helemaal geen subsidie krijgt. Zijn melk gaat immers niet naar het buitenland, maar naar de plaatselijke zuivelfabriek. Nou dan!
Het listigste addertje onder het gras is dat de steun zich beweegt langs het traject van steun per eenheid product. De subsidie zit verstopt in de prijs die de boeren krijgen. En dat betekent dat naarmate men meer produceert, de steun toeneemt. Maar naarmate men meer produceert, neemt de kostprijs per eenheid product af. En zo komen de subsidies voor een niet onbelangrijk deel terecht bij die bedrijven die dat het minst nodig hebben. Het gemiddelde besteedbare inkomen van de kleine gespecialiseerde melkveebedrijven is ongeveer de helft van het besteedbare inkomen op de grote sterk gespecialiseerde boerenbedrijven.
De Nederlandse varkenshouderij schreeuwt moord en brand over de desastreuze gevolgen van de varkenspest en de op stapel staande nieuwe mestwetten. Die zouden 6000 varkenshouders bedrijfsmatig de kop kosten. Er zijn in Nederland helemaal geen 6000 full-time varkenshouders. Volgens de officiële statistieken zijn er ruim 10.000 varkensboeren in ons land. Maar in die statistieken worden ook de akkerbouwers die voor eigen eet een paar varkens hebben als varkenshouder geregistreerd.
Er zijn leugens, grote leugens en statistieken. Dat geldt vooral voor de cijferbrij die vanuit de landbouw wordt verspreid. Er zouden in Nederland ruim 80.000 landbouwbedrijven zijn. Maar als daar de deeltijdboeren van worden afgetrokken, houd je minder dan de helft over. Het zijn overigens die deeltijdboeren die het minst uit de subsidiepotten trekken, en juist door hun kleinschaligheid de kleinste bijdrage aan de vervuiling leveren.
De subsidies, en daarbij dient ook de onbetaalde milieurekening te worden opgeteld, zijn - teruggerekend naar de individuele ondernemer - aan de hoge kant. Bovendien zorgt de methodiek van de steun, verstopt in de prijs van het product, voor een merkwaardige verdeling. Ongeveer 80% van de subsidies gaat naar 20% van de boeren. Die 20% heeft de subsidie, juist omdat ze groot zijn en tegen een lagere kostprijs kunnen produceren, het minst nodig.
Het zou dus voor de hand liggen de Brusselse subsidies in een grote pot te storten, en vervolgens per bedrijf te bekijken of en zo ja hoeveel steun er nodig is voor een redelijk inkomen. Zo vreemd is die gedachte niet. Wie in de bijstand, de WW, de AOW of de VUT terechtkomt, mag ook maar tot een bepaalde hoogte bijverdienen. Het restant van die Brusselse subsidies kan dan terug naar de oorspronkelijke bron: de algemene middelen. In agro-land is dat volstrekt niet bespreekbaar.
Merkwaardig. De boeren lopen rond de mestwet niet alleen te hoop tegen de voorgestelde normen, maar ook tegen het algemeen verbindend karakter daarvan. Hun stelling is dat de situatie qua mestopnemend vermogen door de verschillende grondsoorten per bedrijf sterk kan afwijken. En dus zouden de normen, als die er al komen, ook per bedrijf moeten worden vastgesteld.
Anders gezegd: eventuele betalingen moeten per onderneming worden vastgesteld, bij ontvangsten hanteert de sector bij voorkeur het principe van de grote hoop.
Dat mechanisme is ook de economische dynamiek en de economische betekenis van dat deel van de agrosector waar met subsidies wordt gewerkt. Aan de batenkant vindt een forse inkomensoverdracht plaats van een grote groep (alle belastingbetalers) naar een kleine groep (de melkveehouders). Aan de lastenkant vindt een forse kostenoverdracht plaats van een kleine groep (de varkenshouders) naar een grote groep (alle huidge toekomstige belastingbetalers).
Zo wordt overproductie (melk, mest) beloond met een bovenmodaal besteedbaar inkomen.
De afgelopen jaren is het subsidiesysteem voor de melkveehouders veranderd. De exportrestituties zijn verlaagd, en vervangen door een directe inkomenssteun per kilo geproduceerde melk (de zogenoemde melkpremie). De boeren schreeuwden daar aanvankelijk moord en brand over, maar nu de prijzen op de wereldmarkt de pan uit rijzen hoor je ze niet meer. Politici trouwens evenmin, terwijl er toch alle reden is voor een paar kanttekeningen. Door de hoge prijzen op de wereldmarkt hoeft er geen subsidie meer te worden betaald om het verschil goed te maken. Er valt dus niets te compenseren voor verlaagde subsidies. En als dat het geval is, hoeft er dus ook geen melkpremie te worden betaald. Deze onweerlegbare logica is aan boeren-oren en hun belangenbehartigers niet besteed. Het gaat hier volgens hen immers om ‘opgebouwde rechten’.
Opgebouwde rechten? Gelegaliseerde diefstal, zult u bedoelen.