Wereldmarkt


Melkveehouders in de rest van de wereld hebben een mengeling van afschuw en bewondering voor hun Europese en vooral Nederlandse collega's. Ze vinden het een knap staaltje - en dat is het ook - om de consument en belastingbetaler leeg te melken zonder dat die het in de gaten hebben. De truc levert melkprijzen op die fors boven de wereldmarktprijs liggen. De wereldmarktprijs bedroeg de afgelopen jaren gemiddeld zo'n 15 eurocent per kilo. De Europese, en met subsidies ondersteunde, richtprijs zit rond de 30 eurocent per kilo. Dat prijsverschil van 15 eurocent krijgt de Europese boer voor het grootste deel bijgepast door Brussel. De Europese dumpen hun overproductie (ongeveer 25%) op de wereldmarkt. Bij een gemiddelde productie van 600.000 kilo melk krijgt een Nederlandse melkveehouder alleen al aan exportsteun ruim 22000 euro. (25% van 600.000 kilo melk is 150.000 kilo melk. Deze overproductie wordt met 15 eurocent per kilo op de wereldmarkt gedumpt. 150.000 maal 15 eurocent is 22.500 euro.)

De niet-Europese boeren hebben bewondering voor het aantal kilo's melk dat hier uit een koe kan worden gehaald. In grote zuivellanden als Australië en Nieuw-Zeeland blijft de jaarproductie per koe steken op ruim 4.500 kilo. In Nederland komt de gemiddelde jaarproductie op ruim 8.000 kilo, maar er zijn ook bedrijven waar een jaarproductie van 12.000 kilo per koe geen uitzondering is. Het ontzag begint om te slaan bij een nuchtere beschouwing van de feiten. De hoge Nederlandse productie heeft als basis subsidies en een industrieel getoonzette productie methodiek.

Een vergelijking van de productie op sectorniveau geeft een heel ander beeld. Voor de Nederlandse jaarproductie van 11 miljard kilo melk zijn 37.000 boeren nodig. Australië produceert 8,7 miljard kilo melk en heeft daarvoor nog geen 14.000 boeren nodig. In Nieuw-Zeeland komen 14.000 boeren aan ruim 9 miljard kilo. Daar waar in Europa de productie aan banden ligt door beperkingen, is in Oceanïe 'the sky the limit'.  Voor de komende vijf jaar staat daar andermaal een productieverhoging van tenminste 30% op het programma.

De eindbestemming van die groei is de wereldmarkt waar nog behoorlijke rek in zit. Traditionele zuivelhaters als de Aziaten beginnen het witte goedje te waarderen. Azië krabbelt langzaam maar zeker uit een financieel economische crisis. Door de daaraan gekoppelde groei in koopkracht zal de zuivel­consumptie in dat werelddeel de komende jaren alleen maar groeien. De eigen melkproductie stelt (nog) niet veel voor, zodat er voor zuivelexporteurs mooie kansen liggen. Zeker als zo 'n exporteur, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, bijna om de hoek woont. Een andere groeimarkt is Zuid-Amerika. Niet alleen als consumentenmarkt, maar ook als producent. Vooral Argentinië begint zich te ontpoppen als een ware agro-tijger.

De producenten buiten Europa, en dan vooral in Australië en Nieuw Zeeland, produceren niet alleen goedkoper. Ze doen het over het algemeen ook schoner. ‘Clean and green’ is het handelsmerk waarmee ze de mondiale zuivelmarkt willen veroveren. Het menu van de koe bestaat daar uit gras. Vers gras. Geen toevoegingen als slachtafval, bierbostel, aardappelschroot, of van gif vergeven bloembollen. Daarom is de melkproductie per koe ook behoorlijk lager. Maar kwalitatief wel beter. En per kilo doorgaans aanzienlijk goedkoper.

De wereldzuivelmarkt stelt op het totaal van de zuivelproductie niet zoveel voor. De meeste melk wordt lokaal of regionaal geconsumeerd. Van alle in de wereld geproduceerde melk heeft slechts een procent of vijf in de vorm van boter, poeder of kaas verre landen als eindbestemming. Voor de grote exporterende zuivellanden is die relatief kleine markt wel van vitaal belang en kan het boereninkomen maken of breken.

Dat laatste werd de afgelopen vijftien jaar vooral in Australië en Nieuw-Zeeland gevoeld. De Verenigde Staten en de Europese Unie voerden een prijspolitiek die onafhankelijk was van de wereldmarktprijzen. Met subsidies werd het prijsverschil met de wereldmarkt voor de eigen boeren niet alleen gecompenseerd; de Europese en Amerikaanse overschotten werden op de wereldmarkt tegen elke prijs gedumpt.

De pijn van die dumpingpraktijken werd en wordt vooral gevoeld in Oceanïe waar niet met subsidies wordt gewerkt. Die afkeer van subsidies en dumping heeft overigens niets principieels: men kan zo 'n steunregime met relatief kleine economieën domweg niet betalen. In Australië wonen 18 miljoen mensen, in Nieuw Zeeland nog geen 3 miljoen.

Nieuw Zeeland schafte de subsidies radicaal af in 1984. De Australiërs leerden hun lesje pas begin jaren negentig toen ze van een interventieavontuurtje met hun wolproductie van een koude kermis thuis kwamen. De toen met subsidies geproduceerde wol hangt nog steeds als een financiële molen­steen ter waarde van A$ 1 miljard (ruim 600 miljoen euro) om hun nek. En het zal nog tot een flink eindje in de volgende eeuw duren voor die strop wat losser komt te zitten.

De Australische en Nieuw-Zeelandse zuivelvoormannen kijken met belangstelling hoe de Europese zuivel zich uit een soortgelijke strop zal weten te wringen. Het steunregime voor de landbouw is destijds ingevoerd om de productie op te voeren en Europa zelfvoorzienend te maken. Maar toen dat doel, eind jaren zeventig, eenmaal was bereikt, durfde in Brussel niemand op de rem te gaan staan. Het Groene Front, toen nog gesloten en invloedrijk, had Europa in een stevige greep, daarbij op de achtergrond geregisseerd door de Europese landbouwbanken. Voor hen was het steunbeleid voor de landbouw een risicoloze goudmijn. Investeringen in de primaire sector werden door de Rabobank en haar Europese zusters met de ogen dicht gefinancierd. 'Hoeveel dacht U nodig te hebben? Geen probleem. Rente en aflossing gegarandeerd door Brussel.' En zo bouwden de Europese landbouwbanken een immense financieringsportefeuille op. In Nederland gaat het voor de Rabobank, met een marktaandeel van bijna 90%, om een bedrag van ruim 15 miljard euro. Die leningen zijn terug te vinden in de kostprijs van de Nederlandse melk.

Meer dan de helft van de kostprijs van de Nederlandse melk is gerelateerd aan de financiering van de productie: productierechten, grond, gebouwen en machines. De Neder­landse melkveehouders zien zich graag als de meest efficiënt producerende boeren ter wereld. In Australië en Nieuw-Zeeland denkt men daar heel anders over. De Nederlandse kostprijs per kilo melk beweegt zich, vooral door het kapitaalsintensieve karakter, tussen de 25 en 27 eurocent. Hoezo efficiënt? In Australië en Nieuw-Zeeland is de kostprijs nog geen 13 eurocent. De klimatologische omstandigheden zorgen er voor dat de koeien geen huisvesting nodig hebben. De grond is er spotgoedkoop en het machinepark is veel minder uitgebreid. De koeien staan altijd buiten, en halen zelf het gras op.

Dat kostprijsvoordeel wordt door de Nieuw-Zeelandse en Australische zuivelsector de komende jaren alleen maar verder uitgebuit. De afgelopen acht jaar groeide het gezamenlijke aandeel van Oceanïe, dwars tegen de Amerikaanse en Europese subsidies in, op de wereldmarkt van 22% naar 36%. Het Europese aandeel daalde van 50% naar 44%. Amerika ging van 12% naar 8% en het aandeel van de overige producenten zakte van 16% naar 12%. In Oceanïe kan de productie nog flink worden opgevoerd zonder dat daarvoor een aanmerkelijke stijging van de kostprijs nodig is. Op het Zuider-Eiland van Nieuw-Zeeland en in Tasmanie is nog land in overvloed dat zó voor melkveehouderij kan en zal worden gebruikt.

In Oceanïe constateert men koeltjes dat grote delen van de Europese zuivel, met de subsidies als lokaas, in een fuik zijn gezwommen waaruit geen terugkeer mogelijk lijkt. De subsidies gaan verder omlaag. De kostprijs zal die trend moeten volgen, maar stuitert al snel terug tegen de stevige post rente en aflossingen. Terugkeer naar minder kapitaalsintensieve en dus meer traditionele productiemethoden - zo al mogelijk - leidt tot forse vernietiging van kapitaal. De vraag is wie de rekening daarvoor krijgt gepresenteerd: de boeren of de banken.
De Nieuw-Zeelandse en Australische melkveehouders hebben voor hun Europese collega 's een schrale troost: naarmate de niet terug te betalen schulden groter zijn, hebben vooral de banken een probleem.

Intussen is de hierboven geschetste situatie in 2007 drastisch veranderd. De prijzen op de wereldmarkt voor agrarische producten zijn zo fors gestegen dat die prijzen nu hoger zijn dan de Europese gegarandeerde prijzen. Droogte in Australië en Nieuw Zeeland heeft de melkproductie daar nadelig beïnvloed. Gekoppeld aan een gestaag doorgroeiende vraag heeft dat de prijzen stevig opgedreven. En dus vinden de Nederlandse melkveehouders dat de productiebeperking wel kan worden opgeheven. De aan de productiebeperking gekoppelde subsidies natuurlijk niet. Dat een uitbreiding van de melkproductie automatisch leidt tot een drie keer zo grote mestproductie (per kilo melk maakt een koe drie kilo mest) proberen de boerenvoormannen ook zorgvuldig uit de media te houden.

Maïs- en graanprijzen rijzen eveneens de pan uit. Niet alleen door droogte elders, maar door de honger naar groene energie. Maïs en graan blijken in combinatie met koeienstront uitstekend te vergisten en omdat er via die vergisters grote subsidie­bedragen te verdienen zijn, stort de agrarische westerse zich daar nu op. Van voedsel wordt brandstof voor machines gemaakt. Dat jaagt de prijzen op, zodat het toch al hongerende deel van de wereld nog groter wordt. De Europese graanboeren is de afgelopen jaren gevraagd minder te telen om zo de overproductie te beperken (de zogenoemde braakregeling). Daarvoor kregen de akkerbouwers uiteraard per niet geteelde hectare subsidie. De Europese landbouwministers vinden nu dat op alle braakliggende hectares in 2008 weer moeten worden geteeld. Met behoud van de subsidies die destijds zijn vastgesteld om die hectares niet te betelen uiteraard.