Wilmar Taal schrijft op Internet (2001)
Eer in klassiek-teleologische context: een analyse van de grootmoedigheid in de ethiek van Aristoteles
Aristoteles bespreekt in de Ethica Nicomachea de drie gangbare levenswijze en de daarmee verbonden opvattingen van geluk: genot, eer en beschouwelijk inzicht. In twee opzichten is eer een uitwendig goed: achting en aanzien zijn afhankelijk van anderen en eerbetoon bestaat in uiterlijke zaken. Eer komt iemand toe op basis van diens aretè, deugd of voortreffelijk optreden. Een tweetal deugden komt hiervoor in aanmerking: de megalopsychia of grootmoedigheid en de juiste ambitie. Grootmoedigheid houdt in dat iemand die zichzelf grote dingen waardig acht, deze ook waardig is. Het is een normatief begrip: er is een terechte en juiste aanspraak op eer. Grootmoedigheid wordt niet rechtstreeks als doel nagestreefd. De grootmoedige streeft de eervolle zaken na. De mensen of de massa interesseren hem niet, alleen de mening van hen die zelf goed zijn. De grootmoedige komt zelfgenoegzaam over, dit is echter verbonden met de conceptie dat het doel van het leven bestaat uit het zo goed mogelijk volbrengen van het leven. Het is een ideaal van de toenmalige samenleving.
Eer in de moderne cultuur
De socioloog Peter Berger stelt dat eer een moreel concept is dat niet van deze tijd is en niet meer werkzaam in onze cultuur. Het is een restant van hiërarchisch gevormde samenlevingen, en heeft nog slechts betekenis in adellijke kringen, het leger of welomschreven beroepsgroepen. Berger omschrijft eer in de moderne samenleving als waardigheid: de klassieke eer was die van een individu in verband gebracht met de erkenning van de eigenwaarde in de gemeenschap. In de moderne tijd is het individu bevrijd uit de overgeleverde rollen en beroept zich op eigen belangen.
De hedendaagse Franse filosoof Ricoeur verbindt eer met gelding en erkenning die voor het bestaan onmisbaar zijn. Mensen neigen vaak naar hebzucht, heerszucht en eerzucht. Ricoeur breidt deze uit naar drie maatschappelijke sferen: de economische orde van het bezit, de culturele orde van de gelding en de politieke orde van de macht. Ricoeur stelt dat verlangen naar, genieten van en verlenen van eer betekenis heeft in de zin van het verlenen van eer aan anderen. Ricoeur stelt dat eer best wel in verband gebracht mag worden met bezit en macht. Eerzucht legt hij uit als het streven naar erkenning en waardering door anderen. Deze eigenwaarde, merkt Ricoeur op, is wel een kwetsbare, ijdelheid, aanmatiging en jaloezie kunnen het gevolg zijn.
In het moderne taalgebruik wordt eer vooral in verband gebracht met eerbied, als eerbiedwaardigheid en in de zin van aanzien. In de eerste zin kan eer worden gezien als erkenning: eerbied als verhouding tot anderen, maar ook als verhouding tot zichzelf (trots, zelfrespect). In de tweede zin is eer verbonden met het tonen van eerbied aan een ander. In de derde zin is eer het aanzien, het prestige, de reputatie, de goede naam, de roem of beroemdheid.
Tot zover Taal. |