|
We vragen wel eens mensen om een schatting te maken
van de leeftijd die dieren bereiken voordat zij worden
geslacht. De overgrote meerderheid schat de slachtleeftijd
van dieren vele malen hoger in dan deze werkelijkheid
is.
Op het overzicht van de aantallen
dieren in de intensieve veehouderij per provincie
geven we per dier de gemiddelde slachtleeftijd. Zie
ook de kerncijfers van productie in de melkveehouderij.
Een veehouder brengt een dier naar het slachthuis zodra
deze niet meer groeit of produceert, want langer op
stal houden kost voer en verlaagt het rendement. In
het geval van koeien is dit het moment dat de melkproductie
over haar hoogtepunt is. Dit moment ligt op een extreem
lage leeftijd, namelijk tussen de 4 en 5 jaar.
Melkkoeien in de biologische veehouderij kunnen gemakkelijk
gefokt worden zodat zij later hun maximale productie
krijgen.
Men hanteert daarvoor een 'biologische totaal-fokwaarde',
waarin 6 kenmerken zijn opgenomen. Deze kenmerken bestaan
voor de helft uit productiekenmerken en voor de andere
helft uit kenmerken voor de constitutie (vitaliteit).
Belangrijk is de laatrijpheid van de koe. Een koe die
men lang wil houden en dus laat wil slachten, moet lang
doorgroeien. De biologische melkwaarde is opgebouwd
uit 3 lactatiefases (respectievelijk 20%, 30% en 50%)
in plaats slechts 1 zoals gebruikelijk is in de intensieve
melkveehouderij.
De top van de lactatie (melkgift) wordt pas bereikt
in het zevende of achtste levensjaar van de koe. Verder
wordt persistentie hoog gewaardeerd, want piekproducties
leiden tot te hoge krachtvoergiften of slepende melkziekte.
Een koe die 300 dagen 20-25 kg melk geeft, komt ook
tot een jaarproductie van 6.500 tot 7000 kg en dat met
minder dan 1000 kg graan.
Wat betreft melksnelheid wordt gefokt op een gemiddelde
melksnelheid van ongeveer 3 kg per minuut. Hoge melksnelheden
geven aanleiding tot het uitliggen van melk en uierontsteking.
Deze manier van fokken en werken in de biologische
melkveehouderij garandeert beter het welzijn van het
dier en de gezondheid van de consument van zuivel en
vlees.
Hoe zit dat dan met de kans op BSE?
Zou een koe BSE onder haar leden hebben dan zou de
hogere slachtleeftijd de ziekte alle gelegenheid geven
om tot uitdrukking te komen. Biologisch gehouden koeien
worden niet gevoerd met voer waarin het slachtafval
van andere dieren zit verwerkt. De kans op BSE lijkt
dus veel kleiner, en is misschien zelfs afwezig. Natuurlijk
moeten ook deze koeien bij de slacht op BSE worden getest.
Op deze wijze heeft de consument pas echt de garantie
dat deze geen vlees koopt waarin de veroorzaker van
BSE latent aanwezig is. |