| Iemand die dierenrechten serieus neemt, of dit nu wel
of niet vanuit een logische filosofie wordt gedaan, stopt
met het gebruiken en eten van dieren. Met deze boude stelling
wordt meteen duidelijk wat vervolgens het probleem wordt
binnen een politieke partij die dierenrechten serieus
wil nemen: niemand wil gedwongen worden om een keuze te
maken of aan anderen op te dringen waar hij of zij nog
niet aan toe is. Dat kost ook nog eens zetels in het parlement.
Daarom wordt binnen een politieke partij een oplossing
gekozen die wel haar boodschap duidelijk maakt, maar
niet de menselijke vrijheid al te zeer bedreigt. Dit
heet pragmatisme. Veel partijen met sympathie voor dieren
ondersteunen een loos begrip voor dierenrechten:
de intrinsieke waarde
van het dier. Niemand weet wat het betekent, maar dat
doet er niet toe, want er volgt een vertaling die de
meeste mensen wel kunnen accepteren: "respect"
of "recht op een natuurlijk leven".
Met de omstandigheid dat al te duidelijk zijn stemmen
kost moet een politieke partij leren leven en doet
dat ook. Maakt dat de vraag overbodig of en hoe precies
we definiëren wat dierenrechten inhouden en of
dit wel of niet afwijkt van dierenwelzijn? We kunnen
het beter maar wel proberen.
Dieren, natuur en milieu zijn kwetsbaar en een beetje
sociaal voelend persoon levert een klein beetje van
zijn vrijheid in ten gunste het kwetsbare. Iets meer
vrijheid voor dieren om een natuurlijk leven te kunnen
leiden en een klein beetje minder voor de mens om dit
mogelijk te maken. Tot zover is het simpel. Maar dan
de praktijk: wat betekent dat voor bijvoorbeeld de belangen
van de boeren en de dieren in de bio-industrie?
In de bio-industrie wordt vrijwel geen rekening gehouden
met dierenwelzijn omdat men zo goedkoop mogelijk wil
produceren en men bang is de exportpositie
kwijt te raken. Waar ligt dan de grens, wat mag nog
wel en wat niet meer? Als we binnen de bio-industrie
het voorbeeld nemen van het couperen van varkensstaarten,
dan krijgen we de volgende afwegingen.
Een boer coupeert varkensstaarten omdat varkens als
ze wat groter zijn uit verveling in elkaars staarten
gaan bijten. De boer redeneert dan “wanneer ik
van een big de staart coupeer, dan zorg ik dat later
van het jonge varken het dierenwelzijn niet erger wordt
aangetast”.
Dit klopt binnen de boerenlogica. Een welzijnsonvriendelijke
maatregel wordt genomen om nog meer welzijnsonvriendelijkheid
te voorkomen. Wanneer je deze situatie vanuit (wat voor
filosofie dan ook gebaseerde) dierenrechten zou benaderen,
dan zou het couperen een aantasting van de lichamelijke
integriteit worden genoemd en onaanvaardbaar zijn. Sterker
nog: de gehele bio-industrie druist in tegen dierenrechten.
Een manier om filosofische scherpslijperij te voorkomen
is het introduceren van het “Nee, tenzij”-principe
of, zoals in de GWWD
is gedaan, door te stellen dat dieren belangen
hebben en dat deze alleen geweld mogen worden
aangedaan wanneer daarvoor een zwaarwegende en geldige
reden is.
Bij het “Nee, tenzij”-principe wordt
de bewijslast gelegd bij de boer, die maar moet
aantonen dat zijn bedrijfsvoering het welzijn
niet aantast.
De boer pareert deze “inperking” simpelweg
door te stellen dat zijn bedrijfsvoering helemaal
geen negatieve gevolgen heeft voor het welzijn
van het dier en dat alles wat hij doet óf
niet anders kan óf gedaan wordt om groter
onheil te voorkomen.
Bewijs dan maar voor de rechter dat deze boer
ongelijk heeft.
Het is dus voor de dieren beter om gezond te
denken in termen van rechten dan van welzijn. In de praktijk komen beide begrippen bij elkaar in de vijf vrijheden waarop dieren recht hebben en waarvan de schending het welzijn schaadt. De meeste boeren voldoen aan drie van de vijf welzijnseisen, maar geen aan alle. Met name het recht om normaal, soorteigen en natuurlijk gedrag te kunnen vertonen wordt geschaad. Ieder weldenkend mens zou aan deze eis voldoen door het dier toegang tot de weide te geven, maar voor de landbouwsector is een betonnen buitenbak voldoende. Daarmee kunnen ze namelijk gemakkelijker de mest opvangen en zodoende milieuproblemen voorkomen. Of dit rechtvaardig en voldoende is, laten ze weer ter beoordeling van het publiek en de politiek.
|