Ieder jaar worden zo'n 700.000 proefdieren in ons land gebruikt en gedood in laboratoria. Niet alleen muizen, ratten, kippen en vissen zijn het slachtoffer van dierproeven. In 2005 werden volgens het jaaroverzicht van de Voedsel- en Waren Autoriteit 9390 konijnen, 2754 paarden, 2119 honden, 704 apen en 406 katten gebruikt voor de dierproefwetenschap.
Deze aantallen zijn echter geflatteerd, omdat alleen die dieren meetellen die daadwerkelijk in experimenten gebruikt worden. Dieren die worden gebruikt om mee te fokken en dieren die worden gedood omdat ze niet bruikbaar zijn voor het experiment, worden niet meegeteld. Maar ook deze dieren slijten hun leven binnen de muren van de laboratoria en komen daar aan hun eind. Proefdieren hebben geen aangenaam leven, en toch beweren de onderzoekers die deze dieren gebruiken grote dierenliefhebbers te zijn.
In het artikel `Niet geheimzinnig doen' zegt een aantal Groningse onderzoekers open te zijn over hun proefdiergebruik. Ze praten volop over hun openheid, maar geven nergens in het artikel aan wat ze zelf precies aan dierproefonderzoek doen. Er wordt gesteld dat wanneer onderzoekers open zijn over wat ze doen in de laboratoria, mensen wel begrip krijgen voor dierproefonderzoek. Impliciet worden mensen die kritiek hebben op dierproefonderzoek dus onbegrip en onvoldoende kennis over dierproefonderzoek verweten. Verbazend, aangezien de kritiek op dierproeven juist voortkomt uit kennis van de gang van zaken bij dit type onderzoek.
Het is natuurlijk goed dat laboratoria steeds meer hun deuren openstellen voor belangstellenden. Toch is er in Nederland niet zo veel openheid over dierproefonderzoek als in het artikel wordt gesuggereerd. Zo worden de aanvragen die door onderzoekers worden ingediend bij de Dierexperimentencommissies (DEC's), die nut en noodzaak van dierproeven moeten afwegen tegen het dierenleed, angstvallig geheim gehouden. Ook over de besluitvorming binnen de DEC'S wordt niets aan de buitenwereld bekend gemaakt.
Het proefdiergebruik is daardoor volstrekt oncontroleerbaar. Bovendien wordt door deze geheimzinnigheid verdubbeling van onderzoek in de hand gewerkt, waardoor veel overbodig en onnodig onderzoek op dieren wordt uitgevoerd. Wanneer onderzoekers echt minder proefdieren zouden willen gebruiken, zouden ze zich kunnen inzetten voor openbaarheid van deze DEC-procedures, zoals ook de Tweede Kamer wil.
Op 30 januari jongstleden is er in de Tweede Kamer een motie over dit onderwerp aangenomen. De jaarverslagen van de DEC'S zullen daardoor in de toekomst openbaar zijn, waardoor democratische controle op de afwegingen rond proefdiergebruik beter mogelijk wordt.
De Groningse onderzoekers stellen dat de Nederlandse wetgeving wat aan de strenge kant is. De Nederlandse regels voor dierproeven zijn echter niet meer dan fopspenen.
Commerciële belangen, concurrentiestrijd en prestige blijken, naast het welzijn van mensen, vaak van grote invloed te zijn op de zoektocht naar nieuwe, soms weinig vernieuwende, producten. Opzettelijke geheimhouding van wetenschappelijke informatie voor de concurrent werkt deze ontwikkeling in de hand. Dit zorgt voor oneindig veel variaties op dezelfde of gelijksoortige experimenten, waardoor onnodig veel dieren moeten lijden. Derde geldstromen beïnvloeden onderzoek bovendien steeds meer, waardoor vraagtekens geplaatst dienen te worden bij de onafhankelijkheid en hiermee nut en noodzaak van onderzoek.
Verder wordt in het artikel gesteld dat het lastig is voor wetenschappers om zich te verweren tegen de anti-proefdierlobby en juist campagne te voeren voor dierproeven. Die uitspraak laat overduidelijk zien waar een van de grootste knelpunten zit ten aanzien van proefdiergebruik. Nog veel onderzoekers klampen zich wanhopig vast aan het gebruik van proefdieren en houden zich daarom nauwelijks bezig met het zoeken naar de beste onderzoeksmethode om hun onderzoeksvraag op te lossen. Proefdiergebruik is een vanzelfsprekendheid geworden; het middel is belangrijker geworden dan het doel.
Er is veel geld beschikbaar voor dierproeven en maar weinig voor het ontwikkelen en toepassen van alternatieven. Jaarlijks wordt er door de Nederlandse overheid slechts 0,9 miljoen euro uitgegeven aan alternatievenonderzoek, tegenover 500 (!) miljoen euro aan dierproeven.
Het gebruik van proefdieren in Nederland kan pas echt teruggedrongen worden wanneer er over de volle breedte sprake is van openbaarheid en transparantie en er meer geld en aandacht voor het ontwikkelen en toepassen van alternatieven komt. |